Nieuws
Welkom
Clinic
Uitslagen
Verslagen
Trainingen
Hummel ZUIDHORuN
Loopagenda
Contact
Lidmaatschap
Links

 

Alleen voor leden:
Gebruikersnaam
Wachtwoord
Wachtwoord vergeten?

De Halve van Egmond

door Arend Jan Zwarteveen

Voorpret

Windkracht 9, slagregens en tijdens de wedstrijd kans op onweer’, meldt radio 80. Het is zondag 11 januari 2004, 9.15. De halve van Egmond begint om twaalf uur. De regionale radio 80 is al op het parcours: ‘In Buren vliegen er vuilnisbakken door de lucht. Op het strand staat de wind pal tegen’, de verslaggever kan zijn lol niet op. ‘Medewerkers van Nike krijgen de opblaasbare ereboog niet de lucht in’, vervolgt hij met overslaande stem. ‘Dit wordt een hele, hele zware’. Allerlei heroïsche tochten passeren de revue. De een nog zwaarder dan de ander. Ik sta aan de rand van het bed in een hotelkamer van hotel Zuiderduin te Egmond.

Het bescheiden ontbijt is achter de kiezen: twee bruine boterhammen, roggebrood, kaas, veel jam, twee koppen thee en vruchtensap. Uiteraard geen scrambled eggs, uitgebakken spek, croissantjes, harde broodjes, beschuiten, crackers yoghurt, sinaasappels, cornflakes, koffie, enz. Antoinette, Klarie, Thijs en ……………..Kees wel. Kees heeft griep. Het oefenrondje dat we samen met Thijs (5 jaar) gisteren op het strand liepen was hem bijna te zwaar. Maar Kees is een bikkel, die geeft niet zo snel op. We zijn voor de vijfde keer in Egmond en hij loopt dus voor de vijfde keer in Egmond. Zijn supertijd van twee jaar geleden, 1 uur en 36 minuten, zal hij niet halen, maar lopen zal hij. Merkwaardig overigens om de toppers aan de ontbijttafel te zien. Vooral de Kenianen maken het ‘bont’: bordenvol worden naar binnengeslagen met producten waarvan ik dacht dat ze op z’n minst de snelheid op een negatieve manier beïnvloeden. Toch lopen ze hard, heel hard en doet niets vermoeden dat ze enige hinder hebben van de copieuze maaltijden die ze enige uren daarvoor genieten. Bij mij slaat jaarlijks de twijfel toe: ‘Doe ik er wel goed aan? Ben ik niet veel te rigide? Neem het er toch lekker van’, fluistert een stemmetje. ‘Dat gedoe dagen voor de wedstrijd. Zie hoe lekker alles eruit ziet. Geniet en neem er vooral een paar glazen wijn bij. Wat maakt het uit om een paar minuten langzamer te lopen?’ Dat laatste had dat stemmetje niet moeten zeggen, want dat maakt heel veel uit. Sterker nog, al was het maar enkele seconde langzamer! Meer heb ik niet nodig. Ik volhard in mijn ascetische benadering en taper niet alleen de loopbeweging, maar matig mij ook in de lekkernijen van de dagelijkse dis. Behalve zaterdagavond bij het spaghettibuffet, maar dat telt niet want dat zijn allemaal koolhydraten. Deze keer kwam ik tot vier borden. Hoe krijgen ze het voor elkaar in Zuiderduin. Ik vind koken een feest en ik bereid graag een maaltijd voor tien, vijftien personen, maar voor 800 mensen spaghetti koken is andere koek.

Net als voorgaande jaren komen we in de voormiddag aan in Egmond. Ongeveer als de strandrace op de mountainbike is afgelopen. Thijs vergaapt zich aan al die bemodderde fietsers in en om het dorp. Het zegt hem meer dan hardlopen. Zo’n fiets heeft toch hele stoere banden. Wat voor stoers heb je nu met hardlopen? Hij heeft er de woorden nog niet voor, maar ik zie hem denken: ‘Wat een zielige sport: geen fiets, geen snelle auto, geen bal, geen stick, geen net…….alleen jezelf in een eindeloze maalstroom van de ene voet voor de ander en dan ook nog eens in regen en wind’.

In het hotel checken de eerste lopers in. We zien ook toppers: Nadja Waayenberg, Koen Raaymakers, Lorna Kiplagat, Hugo van de Broek, Gerard Nijboer. Het begint te kriebelen. Hardlopers in vol ornaat lopen langs. Die gaan het strand verkennen. We bevinden ons in goed gezelschap, heerlijk. Het programma van de middag is vertrouwd: spullen uitpakken, eventjes met de vrouwen het dorp in, zo gauw mogelijk de dames laten winkelen, teruggaan naar het hotel, loopkleren aan, een rustig traininkje op het strand en een duik in het hotelzwembad. Het strand heeft veel weg van een grote catwalk.

Weinigen lopen om te trainen of om in te lopen. Je loopt om gezien te worden. De tred is verend, de sprintjes indrukwekkend energiek, het liefst op een moment dat er veel mensen lopen en kijken. Gesprekken zijn er ook, heel veel. Gespreksonderwerpen ook, eigenlijk maar één. Als er al eens een gesprek over een ander onderwerp gaat, weet er altijd wel iemand het gesprek op dat ene te brengen waar we allemaal voor komen: hardlopen, hardlopen en nog eens hardlopen. Een verbazend veelzijdig onderwerp overigens, want waar kun je het allemaal niet over hebben: het weer, de training, de kleding, de ervaring, de tijden, de eetgewoonten, de prestaties, de vrienden, de verslaving, enz. enz. De bron is onuitputtelijk.

Thijs houdt zich manmoedig op het strand. Hij heeft zijn trainingspak en loopschoenen aan. Het is droog. De wind is hard en tegen. ‘Ik ben moe’, weet hij resoluut te melden. We zijn nog geen minuut onderweg. Een vaderhand doet wonderen. En als ook Kees zijn andere hand pakt, weet hij het minuten vol te houden. Ik ben trots. Zie ons eens lopen. Dat is mijn zoon, een hardloper in de dop. Eens loopt hij mij eruit. Ik kan er niet op wachten. ‘Ik ben weer moe’. ‘Tot die paal dan, kom op’. ‘Ik kan niet meer papa.’ ‘Kom op je bent er bijna’. De gesprekken zijn op niveau. Bij de paal, zijgt hij in het zand. De vuurtoren van Egmond is vervaarlijk ver weg. ‘Ik wil op de duinen klimmen.’ ‘Tuurlijk jongen, waarom zouden we hardlopen, stomme sport. ‘Klim jij maar lekker, dan lopen Kees en ik nog een stukje door.’ Als ik me na tien minuten omdraai, zie ik een klein zwart stipje grote duinreuzen beklimmen. We haasten ons terug. Ik kan hem net opvangen als hij zich voor de zoveelste keer naar beneden laat storten. Overal zit zand. Het wordt al donker, maar gelukkig hebben we wind mee. Met twee keer wandelen zijn we terug. Kees ziet er niet al te best uit.

Gauw het zwembad in met het bubbelbad op kooktemperatuur.

Eén minuut houd ik het vol, dan begint de kop te schroeien. Thijs wil niet, het is hem te warm. In zwembad en bubbelbad veel ranke lijven: ongetwijfeld lopers. Wat een verschil met een Center Parks zwembad in de Limburgse heuvelen, waar ik een tijdje geleden was: veel kolossaal (Duits) vlees. Na het zwembad spaghetti en in voorgaande jaren was de avond steevast gevuld met het door Nike georganiseerde programma. Modeshows met de nieuwste loopkleding, film, een veiling met loopartikelen van bekende hardlopers voor een goed doel, we hebben van alles meegemaakt. Vooral de veiling staat me nog goed bij. Dolf Janssen (gesponsord door Nike) in een hilarische rol als veilingmeester. Zelfs als je met je ogen knipperde bood je al. Ik heb er een prachtige tide van Kamiel Maasse aan overgehouden. Kees een speed distancemeter en zwager Gerrit een looptenue, uiteraard van Nike. Maar dit jaar geen programma. Gaat het slecht met Nike? Wel is er darten in het time-out café. Barney staat met 3-0 voor tegen de Viking als we binnenkomen. Schitterend, dit kan niet meer misgaan; een goed voorteken voor morgen. Anderhalf uur later weet ik beter. In een zinderende partij, verliest ‘onze’ Barney. Is het nog wel ‘onze’ nu hij verloren heeft? Mooiste moment: Andy knuffelt Barney. Barney verdwijnt tussen de armpartijen. Dat zie je verliezende lopers na de finish toch nooit zo innig met de winnaar doen.

Radio 80 is in de aanpalende bar begonnen met de zaterdagavond uitzending. Ze hebben hun tafeltje geconfisqueerd en interviewen bekend en onbekend volk. Gespreksonderwerp: …….juist ja.

Met Kees en Antoinette nog even het strand op. Klarie blijft bij Thijs. Hij slaapt binnen tien seconde. De wangen roodgloeiend van ballenbak (vaak), strand (lang), zwembad (intensief), spaghetti (weinig), fruit (weinig) en cola (veel). We lopen op het parcours. Morgen lopen we hier. Voor het eerst bij de wedstrijd. Geen lange inhaalrace door het water of het mulle zand. Proberen aan te haken bij een groepje.

We lopen het strand op. Wat waait het hard zo laat. Schuimkoppen glinsteren wit op de golven. De café’s zijn nagenoeg leeg. Hardlopers gaan vroeg naar bed voor een wedstrijd.

Warmdraaien

Ik sta dus aan de rand van het bed. Het is 9.15. Nog maar twee uur en drie kwartier. De regen klettert tegen de ramen. ‘Er zijn nauwelijks lopers te zien’, kraait de radio. Op het bed loopkleding: korte tide, sokken, hemd, t-shirt en vuilniszak. Het is een vast ritueel. Dubben over de kleding. Hoe warm is het? Hoe koud is het? Hoe hard waait het? Regent het? Erg belangrijk is het allemaal niet, want de uitkomst staat toch al vast: hemd en korte tide. Het moet minstens tien graden vriezen wil ik daarvan afwijken. Ik weet inmiddels uit ervaring dat het bij de start verschrikkelijk koud kan zijn, maar na 100 meter heb ik het toch warm. Te koud heb ik het tijdens een wedstrijd nog nooit gehad. Te warm wel. Kees heeft ook al gekozen: korte broek met t-shirt. Klarie en Antoinette hebben ook gekozen: voor de warme ontbijtzaal. Die zitten nog lekker achter een broodje met koffie. Ze laten ons lekker betijen met het uiterst belangrijke proces zo vlak voor de wedstrijd. Ik kijk naar buiten. De zee is amper te zien. Op het platte dak van het hotel spat regenwater op. Ik zie zelfs belletjes. Kees wil wandelend onder de paraplu naar de sporthal om de mensen van World Runners gedag te zeggen. ‘Hardlopend word je kleddernat’. Hij heeft gelijk, maar ik wil niet. Ik reken voor hoe ver het wandelen is en wanneer we dan op z’n vroegst terug kunnen zijn: na elven! Dat kan mijn zenuwstelsel niet aan. Ik wil lekker rustig inlopen, nog eens het hotel in om wat te gaan zitten voor rustig toiletbezoek en dat het liefst twee keer. Zonder op de klok te kijken. De voorbereiding op een wedstrijd (waar hebben we het over, maar ja………….) heeft iets meditatiefs. Je trekt je in jezelf terug om je te concentreren op wat komen gaat: niet te snel weggaan, let op de hartslag, aanhaken op het strand, de onvermijdelijke pijn in benen en lijf, de stem die fluistert (en later brult): waar is dit nu voor nodig? Ga iets langzamer, stop, doe niet zo gek en uiteraard de euforie van de finish. Tenminste als je aan de zelfgestelde hoge eisen hebt voldaan. Ik heb die hoge eis op 1.22 gesteld. Twee minuten onder de tijd van vorig jaar. Dat lukte anderhalve week geleden in Kampen ook. Daar ging ik van 1.20 naar 1.18. Het moet kunnen! Alhoewel het barre weer de twijfel aanwakkert. Kees twijfelt niet. Hij heeft met ’t zieke lijf maar één doel: finishen.

Het inlopen heeft iets van een koude douche. Wind mee gaat het nog, maar de andere kant op striemt het in het gelaat. Na vijf minuten is er geen draad meer droog. Dit is pas het inlopen. Kees heeft het na één keer wel gezien. Ik ga om 11.15 nog een keer naar buiten. Daarna, om 11.35 wordt het tijd om het meeste natte spul op de hotelkamer achter te laten en de vuilniszak ‘aan te trekken’. Nog een laatste slok isostar, twee squeezy gels onder het horlogebandje (één voor in het startvak en één voor halverwege). Een kus voor en van Klarie, Thijs en Antoinette en daar gaan we.

Start

We zijn niet de enigen. Duizenden spoeden zich naar de start. Gelukkig met de wind mee. Het regent iets minder hard. Waaien doet het des te harder. Ik zie mensen diep weggedoken in hun loopjasjes meewarig naar mijn blote armen kijken. Ik lijk wel gek. Het startvak staat al aardig vol. Achter een container staan mannen door het hek heen te wateren. Wind in de rug, kop in de wind.

Het langslopende publiek deert hen niet. Ik ga er ook nog maar even tussen staan. Kees wacht geduldig en kijkt vooral grauw. Ik hoor hem hoesten terwijl ik een ferme straal door het hek richt. Dat hoef ik al niet meer mee te sjouwen. Normaal biedt het startvak vol lijven wel enige warmte. Nu nauwelijks. Hoe dicht we ook op elkaar staan. Het gaat nog harder regenen. Kan dat nog? Ik sta vlak bij het hek. Aan de andere kant van het hek hondstrouwe familie en vrienden. Vast hele bijzondere familie en hele goede vrienden, anders waag je je niet naar buiten op een apocalyptische pier in het nietige Egmond aan Zee.
.
Zij hebben overigens wel paraplu’s, wij slechts plastic in allerlei soorten en maten. Van eenvoudige zwartgrijze vuilniszakken tot heuse lange regenjassen met capuchon. Ik heb ook nog zo’n mooie oranje met capuchon realiseer ik me: thuis…..shit! Ik zie twee handige jongemannen vlak langs het hek naar voren dringen. ‘Kees, ik ga er achteraan’, verraadt mijn blik. Ik wil zover mogelijk naar voren. Kees knikt, duim omhoog. Ik sta bijna vooraan. Een raar fenomeen, het startvak: een hecht team van gelijkgestemden. Allemaal met zichzelf bezig. De meesten willen vooral vooraan staan. Ik kijk tevreden om mij heen: bijna vooraan. Weer gelukt. Het is 11.59. Nog één minuut, hè hè. ‘Nog één minuut dan gaan de vrouwen weg voor hun wedstrijd’, hoor ik de speaker zeggen. ‘Na acht minuten volgen de mannen. Zou het ze dit jaar weer lukken om………’. Nee hoor, dat is ook zo. De vrouwen gaan eerder. Nog acht minuten kleumen. Ik kijk achterom. Mijn blik kruist die van Kees. Woorden zijn niet nodig. Het startvak springt zich warm. Het lijkt wel een rituele dans. Wat doe ik hier? ‘Nog één minuut’, brult de speaker. Mijn lijf is ijskoud, de spieren versteent. Twijfel slaat toe. Vuilniszakken worden afgerukt en in de lucht gegooid. Er gaan hekken open. Duwend en trekkend wordt de tien meter open terrein naar het plukje geïnviteerde lopers overbrugd. Ik sta nog steeds redelijk vooraan. Mooi aan de linkerkant. De eerste twee bochten zijn linksom weet ik. Ik sta heel goed. Concentratie. Niemand zegt meer iets, gespannen gezichten, vingers aan de pols, rug licht gebogen, rechterbeen voor en ja hoor daar gaat ’t ie.  Een schitterend moment. Alsof een gespannen veer wordt losgelaten zo schiet ik weg. De weg is van mij. De wereld is van mij. Ze klappen en juichen voor mij. Moeheid is er niet, slechts tomeloze energie. Eindelijk vrij, weg uit het gedrang. Dat valt in Egmond alleen bar tegen merk ik snel. Ik krijg een kwak in de rug en beland bijna in de hekken. Noodgedwongen hop ik over de pootjes van de hekken. Na de eerste bocht wordt het beter.

Wedstrijd

De eerste drie kilometer voeren door het dorpje. Het is inhalen en ingehaald worden. Posities worden bepaald. Ik zie de winnaar van de vijftigplus van de Terschellinger Bereloop. Die kon ik toen driekwart van de wedstrijd volgen. Aanhaken dus. Na 100 meter ga ik er langs. Nota bene, ik voel me super. In het dorp veel bochten. Na sommige bochten  krijg ik een klap in het gezicht. Voorproefjes van wat er op het strand gaat komen. De meter staat op 171. Prima….. zeker niet harder gaan. Bij het hotel zie ik Thijs, Klarie en Antoinette. Ze zwaaien uitbundig. Ik steek een arm omhoog. Heerlijk dat ze er staan. Meer dan een veredelde training zou het toch niet zijn als er geen publiek langs de kant zou staan. Het ‘’eigen’ publiek, die mijn naam roept, die er voor mij staan, is extra bijzonder. Vlak voor het strand het 3-kilometerbord: 10.38, lekker. Dan het onontkoombare strand. De opgang (afgang?) is mul, de hekken leiden tot in het water. Natte voeten. De zee beukt op de kust. De wind loeit om de kop.

Regen stort zich horizontaal op de lopers. Er ontstaan groepjes. Ik haak aan. ‘Zuinig lopen, laat anderen maar kopwerk doen’, fluistert het van binnen. Ruim zeven kilometer is heel ver. Put je niet teveel uit. Niks zeggen.’ We zijn met een stuk of acht. Eén heeft blijkbaar voldoende adem om de boel te regisseren. Van mijn oorspronkelijke plan om niet teveel kopwerk te doen, komt niets terecht. Natuurlijk niet. Ik doe ook mijn deel en eigenlijk gaat het heel gemakkelijk. De hartslag loopt iets op naar 173/174. We halen zelfs de vier minuut de kilometer reken ik snel bij een volgende kilometeraanduiding. We halen veel eenlingen in. Sommigen haken aan, anderen kunnen nu al niet meer. In voorgaande jaren was ik alleen maar aan het inhalen. Het is wel een voordeel om in de wedstrijd lopers te vinden met dezelfde snelheid.

Op driekwart begint mijn aandeel in het kopwerk verwaarloosbaar te worden. Mijn benen lopen vol, de hartslag loopt iets op. We zijn nog maar met z’n drieën: twee jonge kerels en een ouwe zak van bijna 43. Ik besluit ze te laten gaan en laat me opslokken door een groepje van vier lopers. Ik herken er één uit de eerste groep met dikke benen, sokloos in de loopschoenen. Ik zie heel veel schoenen. De blik is neerwaarts. De storm beukt door. Mijn benen worden steeds zwaarder. ‘Schouders laag, ontspannen, goed afwikkelen’. Ik herhaal de mantra van looptrainer Gerrit Klopstra. Het strand is loodzwaar. Het water staat zo hoog dat je je regelmatig door stukken mul zand moet worstelen. Gewoon de rechte lijn houden is niet mogelijk. Het is constant zoeken naar het meest harde stuk en dat is meestal niet zo goed te zien. De voeten zakken regelmatig weg. De lopers zwijgen vooral. De toch best wel grote aantallen toeschouwers juist niet. Hartverwarmend. Tijd bij 10 kilometer: 38.55. Niet gek. Ik probeer de squeezy gel naar binnen te werken. Het smaakt voor geen meter. En of het helpt weet ik ook niet. Voor mijn gevoel wel en daar gaat het om.

Eindelijk is daar het langverwachte lint van toeschouwers haaks op de zee. De strandopgang! Hekken en toeschouwers dwingen ons om lang door te lopen en bijna loodrecht vanaf de zee het geploeter omhoog te beginnen. Het zand is muller dan mul. De duin is hoger dan voorgaande jaren. Hoezo duinafslag? Er is minstens tien meter bovenop gekomen. Ik kom nauwelijks vooruit en zelfs al ik eenmaal de betonplaten onder de wedstrijdschoentjes voel, beweeg ik me in slakkengang omhoog. Toch gaat het ook weer niet zo bar slecht, want mijn groepsgenoten vallen één voor één af. Zevenenzestig kilogram en één meter zevenenzeventig is soms een voordeel. Boven pak ik sportdrank. Het is lauw, heerlijk. Er staan honderden toeschouwers. Wat een kanjers. Zij hebben het koud, ik niet. Ik voel eigenlijk helemaal niet zoveel meer. Met een bevrijdend gevoel sla ik linksaf en stort me met de wind mee naar beneden het duin af. Nu kan ik versnellen, maar ik kom er al achter dat dit een illusie is. Ik heb teveel gegeven op het strand. Bovendien gaat het teveel op en neer door de duinen. Het tempo is er wel, maar het gaat me niet hard genoeg. ‘Doe niet zo ontevreden’, zeg ik tegen mezelf. ‘Geniet, want wat een verpletterende schoonheid dit duingebied. Zelfs in de stromende regen. En wat is het pad verend zacht.

Bij 12 kilometer klok ik 47.45. Het houdt niet over. 48 minuten is 4 minuut de km, reken ik geroutineerd. Maar 15 seconde eronder en de Bloedweg komt nog op 19 km. Daar krijg je de wind weer tegen. Als ik nog wat wil zal het tussen de 12 en 19 km moeten gebeuren, anders haal ik die 1.22 nooit. Dat stuk is redelijk vlak weet ik en ook nog eens wind mee. De krachten vloeien terug. Ik haal weer mensen in. Er haakt een lange, jonge vent bij me aan. Hij gaat er niet langs. Ik voel me weer ijzersterk: 13 km: 51.32, 14 km: 55.21, 15 km: 59.09, 16 km: 1.02.58, 17 km: 1.06.50. Het gaat niet geweldig meer. Ik haal de 3.50 de km nauwelijks. Dat is niet snel genoeg en de Bloedweg komt nog. De vijftiger die ik in de eerste drie km nog zo gemakkelijk achter me liet, haalt me in. Hij dieselt lekker door. Heeft nergens last van. Geen schijn van kans om aan te haken: 18 km: 1.10.50, 19 km: 1.14.49. Veel meer dan 4 min de km zit er niet in en er komt nog een lekker stukje. Over 50 meter al! Ik kan de bocht al zien.

Finish

De 1.22 wordt het niet meer realiseer ik me. Afschrijven dus. Ga voor een Egmond PR. Vorig jaar 1.24. Nu 1.23. Go for it! De positivo in me is weer helemaal terug. Gelukkig maar, want daar is de bocht. Bloedweg staat er op het straatnaambordje. Wie heeft dit verzonnen. Heet het zo sinds de halve van Egmond eroverheen gaat? Laat ze maar bloeden: we nemen 2 km voor de finish de grootste duin van de wijde omtrek op in het parcours. Sadisten. Ik draai naar links en o ja……. het regent en o ja…… het stormt. Verdooft loop ik omhoog. Het is moordend. Aan weerskanten van het pad staan rijen toeschouwers. Egmond is vlakbij. Ik geloof dat ze juichen en klappen. Ik hoor niets meer. Ik lijd, ik geniet. Ik probeer nog iets van een soort tempo te houden. Over de top naar beneden Egmond in. Er komt iemand langzij. Ik haak aan, maar laat weer los. Het is nog meer dan één km. Krachten sparen. Ik haal ook mensen in. Zie ik er ook zo uit? Het zou een glorieuze binnenkomst moeten zijn, maar volgens mij heeft het meer weg van een strompelend stelletje zielenpoten. Dit is dus de wedstrijd. Hoe zou het kilometers terug zijn met de duizenden die nog onderweg zijn (later hoor ik dat er 12% van de recreanten geen eens gestart is en dat er honderden zijn uitgevallen). Nog 500 meter. De weg loopt naar beneden en buigt naar rechts. Wind mee. Daar staan Klarie, Antoinette en Thijs. Snel het spuug uit de mondhoeken, rug recht en zo soepel mogelijk lopen. Ik pers er een glimlach en een soort zwaai uit. Het lijkt nergens op. Nog 300 meter. De weg gaat weer omhoog en naar links de wind en regen in. Nog 200 meter. Naar rechts en daar ligt de finish. De seconden tikken.

Ik zie het bord, maar kan het niet lezen. Nog 100 meter. Ik zie de tijd: 1.23.24…….25……..26……..27. Kom op! Het moet onder de 1.24. Ik sprint en vind mezelf even later terug, hangend op een hek. Regent het nog? Waait het nog? Dit doe ik dus nooit meer! Tijd? 1.23.49. Geen 1.22, die lat was onder deze omstandigheden te hoog. Wel een Egmond PR. Ik moet hier dik tevreden mee zijn. Een man van het Rode Kruis gooit een deken om me heen. ‘Lukt het?’ Tuurlijk lukt het. Volgend jaar weer: minstens 1.21.

PS 1: Kees komt na 1.48 meer dood dan levend over de finish.
PS 2: Klarie wil, vlak na de finish geen kus geven.
PS 3: Thijs ook niet.
PS 4: Antoinette al helemaal niet.
PS 5: Michael belde om te vragen hoe het was gegaan

 










voor het laatst gewijzigd op 2018-12-11 09:41:55 Privacy & Disclaimer